Een gezonde hond wisselt twee maal per jaar van vacht. In het voorjaar als het warmer begint te worden, dan wordt de dikke wintervacht ingewisseld voor een dunnere zomervacht. In het najaar wanneer het weer kouder wordt, maakt de zomervacht weer plaats voor een dikkere wintervacht. In deze ruiperioden vallen de haren van de oude vacht uit en maken deze plaats voor een nieuwe vacht. Door de vacht in de ruiperioden extra te borstelen, kunnen de meeste loszittende haren uit de vacht geborsteld worden. Hiermee kan voor een groot deel worden voorkomen dat de losse haren uitvallen en het hele huis bezaaid raakt met hondenharen.
Vrijwel alle hondenrassen verharen, maar ze doen dit niet allemaal even sterk. Sommige honden lijken in één keer alle vachtharen te verliezen, terwijl er bij andere rassen soms geen haar in huis te vinden is, zoals bij veel Terriërs het geval is. De honden die tot de laatste groep behoren hebben veelal een typische plukvacht. De dode haren van een plukvacht vallen niet uit, maar blijven losjes in de vacht hangen. Tijdens een trimbeurt moeten deze handmatig uit de vacht getrokken worden. Dit is waar de naam plukvacht vandaan komt.
Het aangename huisklimaat kan ervoor zorgen dat het lichaam van een hond een klein beetje in de war raakt. De dikke wintervacht en de dunne zomervacht hebben door de constante temperatuur in huis, wat van hun oorspronkelijke functie verloren. Als gevolg hiervan kan het zijn dat een hond niet meer enkel in de ruiperiode verhaart, maar het hele jaar door wat vachtharen verliest. Eigenlijk is een hond het hele jaar door in de rui. Dit is een verschijnsel dat bij vele honden voorkomt.
Het verlies van vachtharen kan ook andere oorzaken hebben. Vooral als een hond plotseling veel haar verliest, dan kan dat reden zijn voor bezorgdheid. Een bezoek aan de dierenarts is in dat geval daarom altijd aan te raden. Enkele mogelijke oorzaken voor de plotselinge haaruitval zijn:
De twee jaarlijkse ruiperioden vinden bij de meeste honden plaats in het voorjaar en het najaar. De voorjaarsrui begint doorgaans rond april en mei, wanneer de temperatuur stijgt en de hond zijn wintervacht kwijtraakt. De najaarsrui vindt plaats rond september en oktober, als voorbereiding op de koudere maanden. Elke ruiperiode duurt gemiddeld drie tot zes weken, afhankelijk van het ras en de individuele hond. Honden die veel buiten leven en blootstaan aan de seizoensveranderingen hebben doorgaans een duidelijkere en kortere rui dan honden die voornamelijk binnen leven. Bij binnenshonden is de rui soms minder uitgesproken, maar duurt die langer doordat de lichtcyclus binnenshuis minder sterk varieert.
Overmatig verharen buiten de normale ruiperiode kan verschillende oorzaken hebben, maar er zijn ook praktische maatregelen om de hoeveelheid haren in huis te beperken. Regelmatig borstelen is de belangrijkste maatregel: hoe vaker u uw hond borstelt, hoe minder losse haren er in huis terechtkomen. Gebruik tijdens de rui een ontharende borstel of een FURminator om de ondervacht los te maken. Goede voeding speelt ook een belangrijke rol: een dieet rijk aan omega-3 en omega-6 vetzuren, zoals zalmolie, ondersteunt een gezonde huid en vacht en vermindert overmatige haaruitval. Vermijd te frequent wassen tijdens de rui, want dit kan de huid uitdrogen en juist meer haaruitval veroorzaken. Was de hond maximaal eens per maand met een milde hondenshampoo.