Het gebit van een hond zit veel complexer in elkaar dan dat van een mens. Afhankelijk van het ras verschilt de posities van de tanden, dat komt door de verschillende maten van boven-en onderkaak. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortschedeligerassen (Staffords, Shih Tzu) en rassen met langwerpige bek (Collie, Windhonden).
Elke tandsoort heeft een eigen functie. De twaalf snijtanden zitten vooraan en worden gebruikt om vlees af te bijten en de vacht schoon te maken. De vier hoektanden (kiezen) zijn de langste en scherpste tanden; ze dienen voor grijpen en vasthouden. De zestien premolaren zijn de snij- en knipkiezen waarmee voedsel in stukken wordt verdeeld. De tien molaren achterin de bek zijn de ware kiezen voor het fijnmalen van voedsel. Kleine hondenrassen hebben dezelfde tandformule, maar de tanden staan dichter op elkaar, wat meer kans op tandsteen geeft.
Het wisselen van het melkgebit naar het blijvende gebit begint doorgaans rond de derde maand en is bij de meeste honden voltooid rond de zevende maand. Tijdens het wisselen kauwen pups meer dan normaal en kunnen ze wat minder eetlust hebben of licht onrustig zijn. Zorg voor voldoende kauwobjectedieden zodat de pup zijn tanden kan oefenen. Soms blijven melktanden naast de blijvende tanden staan; dit wordt een dubbele tandrij genoemd en kan een tandheelkundige ingreep vereisen.
Tandproblemen zijn een van de meest voorkomende gezondheidsproblemen bij honden. Tandsteen en ontstoken tandvlees kunnen leiden tot pijn, tand-verlies en zelfs orgaanschade als bacterien in de bloedbaan komen. Poets de tanden van uw hond bij voorkeur dagelijks met een hondentandenborstel en hondenpa. Begin hiermee al op jonge leeftijd zodat uw hond eraan went. Kauwsnacks, speciale tandverzorgingsbiscuits en speelgoed dat reinigt kunnen helpen als aanvulling. Laat het gebit jaarlijks controleren door de dierenarts.